CONCEPT-kabinetsreactie The interconnection of business registers.

ONDER EMBARGO


Inleiding

De Nederlandse regering verwelkomt het initiatief van de Europese Commissie om dit Groenboek te
publiceren. Met de Europese Commissie is de Nederlandse regering van oordeel dat verdere
maatregelen noodzakelijk zijn om de toegang tot informatie over ondernemingen in geheel de
Europese Unie te verbeteren en de richtlijnen vennootschapsrecht doeltreffender toe te passen.
Deze noodzaak is des te sterker aanwezig door de verwachte toename van het
grensoverschrijdende verkeer van dienstverrichters en hun diensten veroorzaakt door de
dienstenrichtlijn (richtlijn 2006/123/EG). Toegenomen economische dynamiek met meer
buitenlandse ondernemers die zich in Nederland willen vestigen of actief willen worden, verhoogt
de behoefte aan informatie over deze ondernemers en ondernemingen. Dit geldt uiteraard ook vice
versa: Nederlanders die activiteiten willen richten op het buitenland,

Tegelijkertijd kan een verbeterde toegang tot informatie en een verbeterde samenwerking tussen
de registers de kosten en administratieve lasten van ondernemers substantieel laten dalen. In
Nederland wordt bijvoorbeeld het beleid gevoerd dat informatie over ondernemingen die
overheidsorganisaties kunnen verkrijgen via het handelsregister, ook door laatstgenoemden aldaar
moet worden opgevraagd en dat deze informatie niet aan de ondernemer zelf gevraagd dient te
worden.

Ten slotte deelt de Nederlandse regering het standpunt van de Europese Commissie dat het
vergemakkelijken van grensoverschrijdende toegang tot officile en betrouwbare
vennootschapsinformatie voor crediteuren, zakelijke partners en consumenten noodzakelijk is om
een passende mate van transparantie en rechtszekerheid op de gehele interne markt te
bewerkstelligen en te verzekeren.
De Nederlandse regering benadrukt daarbij dat het voor het succes van het project en de
toekomstige samenwerking van registers en bedrijfsleven van belang is, de doelgroepen en
belangengroepen intensief te betrekken bij het verdere proces en bij genoemde groepen ook een
voldoende mate van verantwoordelijkheid te beleggen.

Hierna zullen de afzonderlijke door de Europese Commissie gestelde vragen worden beantwoord.
Voorafgaand zullen eerst enkele algemene opmerkingen aan de Europese Commissie worden
meegegeven.

Algemene opmerkingen

De Nederlandse regering steunt de gedachte dat er n elektronisch toegangspunt voor
ondernemingsinformatie over alle Europese vennootschappen beschikbaar moet zijn. Het `een
elektronisch toegangspunt' kan overigens naast andere toegangsmogelijkheden bestaan. Cruciaal
is dat in ieder land de informatie uit de andere landen eenvoudig raadpleegbaar is. Voor de
Nederlandse regering is het daarbij wel noodzakelijk een aantal randvoorwaarden in acht te
nemen.

In de eerste plaats moet voldoende rekening worden gehouden met reeds geldende verplichtingen
en initiatieven. De Nederlandse regering wijst in dit verband bijvoorbeeld op de verplichting uit de
dienstenrichtlijn voor de lidstaten tot het instellen van een elektronisch n-loket waarlangs een
ondernemer allerlei informatie moet kunnen achterhalen en tevens procedures en formaliteiten
langs elektronische weg moet kunnen afwikkelen (artikelen 6 tot en met 8 van de
dienstenrichtlijn). De Europese Commissie en de lidstaten hebben gezamenlijk besloten deze
loketten via n website op Europees niveau bijeen te brengen (http://www.ec.europa.eu/eu/eu-
go) en aan gezamenlijke branding te doen. Bij het opzetten van n toegangspunt kan volgens de
Nederlandse regering aangesloten worden bij deze aanpak. Het is in ieder geval niet wenselijk om
alternatieve, met genoemde aanpak concurrerende, structuren op te zetten die juist de gedachte
van n elektronisch toegangspunt zouden doorkruisen.

In de tweede plaats dienen Europese initiatieven niet gericht te worden op het opbouwen van n
gentegreerd Europees register, maar juist op het verbeteren van de koppeling en ontsluiting van
de nationale registers. In dat verband staat Nederland positief ten opzichte van het ontwikkelen en
implementeren van een geavanceerd en innovatief interoperabiliteitsmodel zoals BRITE.
In de derde plaats dient een adequaat juridisch kader te worden geboden voor de verhoogde
samenwerking tussen ondernemingsregisters waarbij er geen sprake is van vrijblijvendheid, maar
van een gemeenschappelijk bindend kader dat ervoor zorgt dat over en weer vertrouwen is in de
kwaliteit van informatie, de technische capaciteiten en dat een gelijk speelveld wordt bereikt. De
Nederlandse regering heeft dan ook een voorkeur voor een Europees wetgevingsinstrument in
tegenstelling tot meer vrijblijvende afspraken of civielrechtelijke overeenkomsten.

In de vierde plaats dient voldoende rekening te worden gehouden met andere stakeholders dan de
ondernemingsregisters en ondernemers zelf. Zoals in het Groenboek terecht wordt opgemerkt
hebben afnemers van diensten, consumenten, crediteuren en ook overheidsinstanties een grote
behoefte aan informatie. Voor zover het gaat om overheidsorganisaties wordt het opvragen en
uitwisselen van informatie reeds ondersteund door het Interne Markt Informatiesysteem dat
gebruikt wordt in het kader van de administratieve samenwerking ingevolge hoofdstuk VI van de
dienstenrichtlijn. Voor zover het daarbij gaat om het verkrijgen van handelsregisterinformatie
gaat zekere voorkeur uit naar het online raadplegen van het desbetreffende register. De
dienstenrichtlijn bepaalt immers dat de bevoegde instanties van andere lidstaten onder gelijke
voorwaarden (elektronisch) toegang dienen te krijgen tot registers als de bevoegde instanties van
de eigen lidstaat (vide artikel 28, zevende lid, dienstenrichtlijn). Het IMI kan ten aanzien van
handelsregisterinformatie vooral een zinvolle rol vervullen zo lang in sommige lidstaten
handelsregisterinformatie nog niet via internet beschikbaar is. Voor zover het gaat om vragen van
bevoegde instanties die niet door deze toegang kunnen worden beantwoord of vragen van de
beheerders van de handelsregisters aan andere bevoegde instanties heeft het IMI een duidelijke rol
te vervullen. Daarbij moet wel rekening worden gehouden met de aard van het IMI: het gaat om
ad hoc beantwoording van vragen die via het IMI binnenkomen en die handmatig verwerkt moeten
worden.

Bovendien bepaalt de dienstenrichtlijn dat de bevoegde instanties van andere lidstaten onder
gelijke voorwaarden (elektronisch) toegang dienen te krijgen tot registers als de bevoegde
instanties van de eigen lidstaat (vide artikel 28, zevende lid, dienstenrichtlijn).

Tot slot vraagt de Nederlandse regering de aandacht voor het kostenaspect. Dit aspect moet zeker
een rol spelen in de afweging van alternatieven.


Vragen

Is een verbeterd netwerk van de ondernemingsregisters van de lidstaten noodzakelijk?

Naar het oordeel van de Nederlandse regering is een verbeterd netwerk van de
ondernemingsregisters van de lidstaten noodzakelijk met het oog op de vervolmaking van de
interne markt, het verminderen van administratieve lasten van ondernemingen en het vergroten en
vergemakkelijken van de toegang tot informatie voor ondernemers, consumenten en overheden.

Kunnen de nadere regels voor zulk een samenwerking bij een "governance-overeenkomst" tussen
de vertegenwoordigers van de lidstaten en de ondernemingsregisters worden bepaald?

Voor de vaststelling van nadere regels voor een samenwerking en netwerk van
ondernemingsregisters is een Europees wetgevingsinstrument noodzakelijk. Een governance-
overeenkomst kan volgens de Nederlandse constitutionele regels geen bindende werking hebben
ten aanzien van lidstaat Nederland, tenzij er sprake is van een verdrag of een civielrechtelijke
overeenkomst. Meer vrijblijvende afspraken zijn naar het oordeel van de Nederlandse regering juist
niet wenselijk om de beoogde samenwerking met een hoge mate van kwaliteit en gelijkwaardigheid
van de grond te krijgen. Het is juist noodzakelijk om lle ondernemingsregister op gelijke voet en
binnen een eenduidig kader te laten samenwerken om de gewenste doelstellingen te bereiken.
Hiervoor is een Europees wetgevingsinstrument de meest voor de hand liggende oplossing. De
Nederlandse regering is daarbij overigens wel van mening dat de beheerders van de
ondernemingsregisters bij de totstandkoming van een dergelijk instrument een belangrijke bijdrage
kunnen leveren en voldoende betrokken moeten worden.

Zien zij toegevoegde waarde in het op termijn koppelen van het netwerk van
ondernemingsregisters met het op grond van de transparantierichtlijn ingestelde elektronische
netwerk om gereglementeerde informatie over beursgenoteerde vennootschappen op te slaan?
Het is de Nederlandse regering niet geheel duidelijk geworden op welk netwerk de Commissie hier
doelt, en wat precies moet worden verstaan onder `gereglementeerde informatie'. De Nederlandse
regering verzoekt de Commissie dan ook, de lidstaten hierover nader te informeren opdat deze de
vraag in de juiste context kunnen plaatsen en beantwoorden.

Naar welke oplossing of combinatie van oplossingen gaat uw voorkeur uit om de communicatie
tussen ondernemingsregisters bij grensoverschrijdende fusies en zetelplaatswijzigingen te
vergemakkelijken?

Voor de Nederlandse regering staat vast dat een combinatie van oplossingen de voorkeur heeft,
omdat de verschillende doelstellingen een verschillende aanpak behoeven. Voor de communicatie
tussen de ondernemingsregisters onderling, bij grensoverschrijdende fusies en
zetelplaatswijzigingen en geautomatiseerde gegevensoverdracht, heeft het de voorkeur BRITE en
IMI verder uit te werken en te voorzien in een adequate juridische basis door middel van een
Europees wetgevingsinstrument. Waar geautomatiseerde gegevensbronnen beschikbaar zijn
zouden deze ook verplicht moeten worden gebruikt. Ook zou de regelgeving zich moeten richten op
praktische aspecten als standaardisatie van formulieren, de beschikbaarheid van stukken in de
verschillende talen, etcetera. Voor zover de Europese Commissie reeds bevoegdheden ter
beschikking staan om tot standaardisatie van formulieren over te gaan (bijv. op grond van artikel
5, tweede lid, van de dienstenrichtlijn) dient zij in het kader van de belangen en doelstellingen die
in dit Groenboek staan aangegeven, in overweging te nemen deze bevoegdheden op korte termijn
uit te oefenen.
BRITE biedt een verbeterde, gentegreerde en geautomatiseerde vorm van gegevensuitwisseling
die voor ondernemingsregisters en ondernemers toegang biedt tot informatie van hoge kwaliteit en
betrouwbaarheid, in combinatie met elektronische toegang op afstand. Ook draagt BRITE bij aan
de vermindering van administratieve lasten voor ondernemers, nu door middel van BRITE
makkelijk en betrouwbaar gebruik kan worden gemaakt van de informatie van andere
ondernemingsregisters.

Het Interne Markt Informatiesysteem (IMI) daarentegen heeft een grote toegevoegde waarde voor
het uitwisselen van informatie tussen overheidsorganisaties, bijvoorbeeld of een ondernemer
onderworpen is aan een beroepsverbod, of zijn gegevens juist zijn, etcetera. Het Interne Markt
Informatiesysteem kan de ondernemingsregisters behulpzaam zijn bij de vervulling van taken als
zij informatie nodig hebben van andere overheidsinstanties. Omgekeerd hebben deze instanties
zelf door middel van het IMI een geschikt en beveiligd communicatiekanaal om met de
ondernemingsregisters te communiceren.
De Nederlandse regering pleit dan ook voor het gebruiken van beide systemen - BRITE zowel als
IMI - die weliswaar een samenhang vertonen, maar verschillende doelen dienen. Bezien moet
worden in hoeverre beide systemen op elkaar afgestemd kunnen worden en bepaalde koppelingen
mogelijk zijn.
